De theatraliteit van improvisatietheater: waarom het podium nooit verdwijnt, ook niet bij iets spontaans

Onlangs gaf ik een les op maat bij Showtje Ongeregeld in Gouda. De groep had zelf een vraag: hoe gaan we bewuster om met het feit dat we een publiek hebben? Niet “hoe spelen we een betere scène”, maar iets fundamentelers — hoe verhoudt improviseren zich tot het feit dat er altijd iemand toekijkt? Die vraag triggerde iets in mij dat verder teruggaat dan mijn improvisatiecarrière: ik heb theaterwetenschappen gestudeerd, en dit is precies het soort filosofische puzzel waar ik nog steeds graag induik.

Wat is theatraliteit eigenlijk?

Het begrip “theatraliteit” wordt al meer dan honderd jaar gebruikt binnen de theaterwetenschap, maar een eenduidige definitie bestaat niet. Sociologen, filosofen en kunstcritici gebruiken het woord allemaal net anders. Rond 1900 verloren veel kunstenaars hun vertrouwen in taal en geschreven theaterteksten: woorden alleen leken niet genoeg om iets uit te drukken. Sommige theatermakers wilden het theater daarom “her-theatraliseren” — minder nadruk op tekst, meer op lichaam, beweging en geluid.

In de theaterwetenschap wordt theatraliteit vaak gebruikt om iets specifieks te benoemen: het besef dat een handeling herkend wordt als performance. Theoretici als Erika Fischer-Lichte en Josette Féral beschrijven dit als een soort verdubbeling. Een handeling is theatraal wanneer ze tegelijk zichzelf is, én een teken van zichzelf. Je ziet iemand iets doen, maar je ziet ook dat het getoond wordt. Die dubbele laag — doen, én laten zien dat je het doet — is precies wat theater onderscheidt van alledaags gedrag.

Simpel gezegd: theatraliteit is het besef dat het publiek meekijkt. Niet alleen iemand doet iets, maar iemand doet iets, en je voelt dat het voor een publiek is.

De spanning met improvisatie

En dat is waar het interessant wordt voor improvisatietheater. Impro claimt namelijk precies het tegenovergestelde van “gekunsteldheid”: spontaniteit, het ongeplande, het echte moment. Toch speelt impro zich altijd af binnen een volledig theatraal kader — een podium, een afspraak met het publiek, vaste formats, soms rechters en scoreborden.

Improvisatietheater ontkent theatraliteit dus niet. Het verplaatst haar. Bij geschreven theater zit de verdubbeling in de tekst en de regie: alles is al van tevoren bedacht en getoond. Bij improvisatie zit die verdubbeling in het bewustzijn van de speler zelf. Je speelt een personage, én je weet dat het publiek meekijkt naar hoe dat personage op dat moment ontstaat. Het maakproces zelf is onderdeel van de performance.

Dat is precies de “knop” waar ik in Gouda met de groep over sprak: hoeveel laat je het publiek meekijken in je maakproces, en hoeveel verdwijn je in je personage? Beide zijn legitieme keuzes. Het gaat erom dat je ze bewust maakt, in plaats van dat het toeval is.

Hoe theatraliteit zich in de praktijk laat zien

Een paar manieren waarop spelers die dubbele laag bewust kunnen inzetten:

  • Direct het publiek aanspreken — een terzijde, een vraag aan de zaal tijdens de scène, een vertellersrol die buiten de scène staat en commentaar geeft. De vierde wand gaat hier letterlijk open.
  • Het maakproces tonen in plaats van verbergen — bijvoorbeeld een personage hardop opbouwen (“dit is Barbera…”) waarbij het publiek hoort hoe iemand stap voor stap tot leven wordt gebracht, vóórdat de scène echt begint.
  • Format-elementen die de afspraak met het publiek benoemen — rechters, scoreborden, een presentator die de spelregels uitlegt. Allemaal momenten die expliciet erkennen: er is publiek, en wij weten dat.
  • Stilstaan als statement — bewust niets doen, wetend dat ook dat gezien wordt. Soms is het meest theatrale moment juist de speler die ophoudt met proberen.

Waarom de vierde wand bij impro structureel lek is

In klassiek theater bestaat het idee van de vierde wand: het denkbeeldige scherm tussen spelers en publiek, waarbij gedaan wordt alsof het publiek er niet is. Het is in essentie een poging om theatraliteit te verbergen — de illusie wekken dat wat je ziet “gewoon gebeurt”.

Bij improvisatie houdt die illusie nooit helemaal stand. Het publiek weet namelijk altijd dat wat ze zien, ontstaat en niet voorbereid is — die wetenschap zit er al vóór de scène begint, zelfs als spelers binnen de scène geen oogcontact maken of het publiek niet aanspreken. Daarnaast doorbreekt het format zelf de wand voortdurend: suggesties vragen, rechters die scoren, een presentator die uitlegt hoe het werkt. Theatersport bouwt die doorbroken vierde wand in als structureel onderdeel van de vorm, niet als uitzondering.

Waarom dit meer is dan theorie

Je zou kunnen denken: leuk filosofisch uitstapje, maar wat heb je daar als improvisator aan? Heel veel, denk ik. Zodra je doorhebt dat theatraliteit een knop is waar je bewust aan kunt draaien, verandert je spel. Je gaat actiever nadenken over wanneer je het publiek meeneemt in je proces, en wanneer je juist volledig in je personage opgaat. Dat is geen kwestie van “spontaan zijn versus gepland zijn” — het is een vaardigheid die je, net als alle andere improvisatievaardigheden, kunt trainen.

En dat is precies waarom ik dit soort lessen zo leuk vind om te maken. Elke groep, zoals Showtje Ongeregeld, heeft weer een andere vraag, en dat dwingt mij om filosofische concepten te vertalen naar iets dat direct op de vloer te oefenen is.


Wil je met je eigen groep, team of theatersportclub eens dieper op dit soort thema’s ingaan? Ik maak graag een les op maat, zoals bij Showtje Ongeregeld in Gouda. Neem contact op via info@brammartens.nl.